PHOTOGALLERIES    TRAVELOGUES    ABOUT US    MUSICAL INSTRUMENTGUIDE    CONTACT US


Per Trein Door Birma

ani-train bar.gif (10214 bytes)

Tekst en Fotos:  Frank Ossen


\

 

Inle Lake-2.JPG (16154 bytes)De speciale showtrein uit Rangoon arriveerde precies op tijd, iets over zevenen in de ochtend, in het kleine stationnetje van Thazi, om enkele minuten later weer naar Mandalay door te stomen. Maar Mandalay was niet onze bestemming. Ons voorlopig reisdoel was Thazi, vanwaar we op de een of andere manier hoopten door te reizen naar Swenyaung, gelegen aan het Inle Lake in de prachtige heuvels van de oostelijke Shan-provincie. De resterende 200km van Thazi naar Swenyaung konden zowel bij trein, bus of bemo (lokale bustaxi) worden overbrugd. Volgens de stationchef zou de trein het goedkoopste uitpakken en dus besloten we om dan de trein maar weer te pakken. De trein van Rangoon naar Thazi, die intussen al weer vertrokken was naar Mandalay, was ons erg meegevallen, ook al hadden we door de pijnlijke houten banken en de knalharde propagandamuziek de hele nacht geen oog dichtgedaan. Het was in ieder geval niet overvol geweest, redelijk comfortabel (zolang je maar bleef zitten en geen behoefte aan slaap had) en de mensen waren erg vriendelijk. In bussen en bemos zouden we weer als sardientjes op elkaar komen te zitten en de eventueel te boeken tijdwinst was volgens de stationchef nihil. De treinreis naar Swenyaung zou niet langer dan zo n 5 6 uur duren en ondanks onze vermoeidheid dachten we dat nog wel te zullen overleven.

Om onze knagende honger wat te stillen kochten we op het stationnetje snel twee porties kauw-sw (gebakken rijstnoedels met stukjes kip en groentes erg lekker en spotgoedkoop) die we in kartonnen doosjes lieten pakken zodat we ze later in de trein konden opeten. Want, zo was ons verteld, onze trein zou binnen enkele minuten vertrekken, hoewel er tot dusverre geen trein te zien was. De twee perronnetjes boden een verlaten aanblik, op een enkele slapende Birmaan na. Gelukkig verwees een hulpvaardige passagier ons naar een vergeten spoor, enkele honderden meters voorbij het station, waar we een gammele boemeltrein gewaar werden. Met onze tassen half op de rug en schouders gehesen en met onze bakjes kauw-sw in de hand draafden we zo snel als onze benen konden naar de gereedstaande trein, een stuk of tien smerige, sterk verwaarloosde rijtuigen vol uitpuilende mensen. We konden meteen al op onze vingers natellen dat een zitplaats er deze keer nietRangoon Citybus.jpg (13307 bytes) in zat, iets waar ik eigenlijk ook niet op gerekend had (doch wel gehoopt, natuurlijk). We waren wel onaangenaam verrast toen bleek dat alle deuren zon beetje geblokkeerd waren, doordat men daar stapels rieten manden met voornamelijk rotte vis had geparkeerd. De stank was niet om te harden en het zou een toer worden om binnen te geraken. Gelukkig staken de hulpvaardige Birmanen een handje toe en met veel moeite klauterden we over de manden met rotte vis in een wagon. De trein, die zowat geheel van hout bleek te zijn, was een Duits product van vr de Tweede Wereldoorlog en al jaren geleden bestemd voor de sloop, ware het niet dat de Birmaanse Spoorwegen daar een stokje voor gestoken hadden. Het zou me niet verbazen als het gammele geval hier nog wel tot n de eeuwwisseling door zou tuffen. De ramen waren er al jaren geleden uitgesloopt, evenals de ventilatoren. De hitte en de stank waren bijna ondraaglijk. De trein was zo volgepropt met manden, kisten en dozen dat ik sterk de indruk kreeg dat iedereen aan het verhuizen was.

Een meter of tien verderop, ongeveer in het midden van het rijtuig waar we ons in bevonden,, ontwaarde ik tussen de menigte een wuivende man, die ons gebaarde naar hem toe te komen. Dat was makkelijker gezegd dan gedaan want het gangpad was vanwege alle bagage onbegaanbaar en ik berustte er al in dat we de komende 5 6 uur tussen de rotte vis zouden moeten staan. Doch de man bleef maar druk naar ons gebaren en de mensen om ons heen raadden ons ten zeerste aan naar hem toe te gaan. Dus al klauterend over kisten, manden, tassen, zakken, dozen en stoelleuningen bereikten we enige tijd later de juiste plek. De man en zijn familie schoven ineen als een harmonica en geboden ons bij het raam plaats te nemen. Het leek onmogelijk, maar het wonder was geschiedt. We hadden twee zitplaatsen en nog wel bij het raam! Van alle kanten keken hartelijk glimlachende, ronde gezichten ons aan. We waren zonder twijfel de enige buitenlanders in deze trein en men scheen uitermate in zn schik met ons te zijn. De warmte en liefde straalden van deze mensen af en dat gaf ons een bijzonder goed gevoel.

En we vertrokken zowaar ook nog. Om halftien zette de trein zich schokkend in beweging om na 200 meter weer tot stilstand te komen. Dat was schijnbaar een normale zaak want geen mens keek er van op. Het komende half uur gebeurde er weer helemaal niets, behalve dat Sonja en ik onze bakjes met kauw-sw maar eens opaten, aangevuld met heerlijke jackfruit en mangos die omstanders ons hadden aangeboden. Maar toen leken we toch cht op weg, zon drie uur later dan de bedoeling was. Langzaam, tergend langzaam tufte onze boemel in de richting van de dichtbij gelegen heuvels in het oosten. Het liniaalrechte spoor leek duidelijk de kortste weg te willen nemen, maar het duurde nog ruim een uur voor onze trage stoomlocomotief ons eindelijk uit de vlakte van Centraal Birma had getrokken. De vlakte was kaal, dor en stoffig, met hier en daar een struik, een kaleBirmese Dry Country with Cows.jpg (11714 bytes) boom en een paar magere runderen, die vergeefs naar water zochten. Maar naarmate het spoor begon te klimmen paste het landschap zich aan. De vlakte had plotseling plaats gemaakt voor een weids, schitterend gevormd heuvellandschap bezaaid met dichte jungles en witte pagodas. Langzaam, soms bijna stilstaand, kronkelden we omhoog, steeds weer verrast door de verbluffend mooie panoramas. Het begon nu ook te motregenen.

Al geruime tijd probeerden onze alleraardigste medepassagiers ons bij Birmaanse taallessen te betrekken en daar konden (en wilden) we natuurlijk niet onderuit. Altijd handig om wat van een taal op te steken en zeker een leuke manier om met hen te communiceren. Met pen en papier erbij, en veel nazeggen en lachen, staken we zo aardig wat Birmaans op. Men leek trots op ons te zijn en men werd alsmaar vriendelijker en gedurfder. Het oude vrouwtje naast Sonja legde haar hoofd in Sonjas schoot en dommelde in slaap. Iedereen was n grote familie.

Even later stopte onze boemel in iets dat Kwie-Joh bleek te worden genoemd. Een stationnetje of zelfs een perron was nergens te bekennen, langs de rails bevond zich slechts een lange rij eethuisjes en het wemelde er van allerhande snackverkopers. Hier rustte de boemel voor zon drie kwartier en iedereen gooide zich vol met rijst, kip en curries. Sonja en ik dronken wat thee en aten wat gebakken bananen en wat druiven. Het was allemaal een vreemd schouwspel. Geen dorp, geen station te zien, alleen maar restaurantjes met een stilstaande trein voor de deur! Maar toen we weer vertrokken bleek Kwie-Joh het eerste "switchback point" te zijn geweest op deze reis, want we reden nu in zn achteruit omhoog. En daarna weer vooruit, toen weer achteruit, enzovoort, tot we de draad kwijtraakten.

Niet lang daarna begon onze locomotief te haperen. En ja hoor, vlak voor het dorp Sendaun, en nt voorbij een schitterend panorama een adembenemend uitzicht op Elephant Mountain gaf onze oude, verroeste Bello er definitief de brui aan. Nadat alle aanwezige, belangrijk uitziende heren van de Birmaanse spoorwegen en vele anderen die er helemaal niets mee te maken hadden en er daarom nog minder de ballen verstand van hadden de oude, oververmoeide Bello eens grondig hadden bekeken, en het ding niet meer in beweging te krijgen leek, werdBirmese Loaded Truck.jpg (14400 bytes) unaniem vastgesteld dat de zaak niet meer te repareren viel. Dat betekende dat ergens anders een vervangende locomotief vandaan getoverd diende te worden, anders zou de reis hier al eindigen. Al snel deed het gerucht de ronde dat er in Myntaik hoogstwaarschijnlijk nog een oude loc stond en dat men druk doende was de heren in Myntaik in te lichten om die locomotief hierheen te krijgen. Dat dt nog wel even kon duren behoefde er niet bij gezegd te worden, dat begreep iedereen vanzelf. Men scheen dit soort dingen wel gewend te zijn. Sommige Birmanen stapten uit de trein en begonnen langs de spoorbaan alvast richting Myntaik te lopen, terwijl ze hun spullen gewoon in de trein achterlieten. En Myntaik lag zeker nog wel een kilometer of tien verderop.

Sonja en ik bleven maar een beetje rond onze wagon hangen en babbelde wat met onze gastheren. Het viel me telkens weer op dat iedereen zo vriendelijk, vrolijk en opgewekt bleef. Bovendien scheen niemand enige haast te hebben. Eindelijk, na ruim twee uur, kwam onze nieuwe locomotief eraan getuft. En een diesel nog wel! Onze oude Bello werd door de nieuwe diesel vakkundig op een zijspoor gerangeerd en een kwartiertje later waren we weer op weg naar Myntaik.

Toen we even later het zr pittoreske stationnetje van Myntaik binnentuften bleek dat de mensen die uitgestapt waren om te gaan lopen al op het perron op ons stonden te wachten. Het dorp bleek ook een belangrijke pleisterplaats te zijn voor de Pao, want het station wemelde van de in blauw, zwart en wit geklede mannen en vrouwen van deze stam. De mannen droegen allen een blauwe kiel en een zwarte broek met zr wijde, maar veel te korte pijpen. Hun vrouwen waren gekleed in het blauw of zwart, met prachtige, in blauw, wit en zwart geborduurde, sjaals over de schouders geslagen en met blauwe of zwarte doeken als tulbanden om hun hoofd gebonden. Veel blauw en zwart dus. Sommige van deze Pao dames zagen er zeer aantrekkelijk uit. Zeker een heel ander volkje dan de Birmanen, die allemaal, zowel man als vrouw, in een sarong gekleed gaan. De Pao op het station verkochten anders wl allemaal hetzelfde; planten en bloemen. Overal planten, jonge boompjes enFlowermarket Birma.jpg (15723 bytes) bossen bloemen. En die handel liep duidelijk als een (westerse) trein. Ik was hoogst verbaasd hoeveel Birmanen niet een bloemetje, een jonge kokosnootpalm of een bananenboompje mee naar huis namen. Onvoorstelbaar! In ieder geval beloofde al dat heerlijk, vers riekende groen wat tegenwicht te zullen bieden aan de gore stank van al die manden met rottende vis. Toen iedereen zijn plantjes en bloemen opgeborgen had konden we ook weer eens verder.

Het was nu ongeveer halfzes, en met dit tempo zag ik ons voorlopig nog niet in Swenyaung arriveren. Myntaik was per slot van rekening nog niet eens halverwege. Maar ja, met haast koop je ook niets in deze contreien, die les had ik al heel lang geleden geleerd. Maar ook al liep onze reis nogal traagjes, het landschap was prachtig. De opeenvolging van de vele, schitterende vergezichten was werkelijk adembenemend en bovendien zorgden onze medepassagiers er wel voor dat de stemming niet achteruit gleed. De zon verschool zich nu steeds vaker achter de heuveltoppen en liet zich nog maar enkele malen zien. De motregen was weer gestopt en de buitenlucht rook fris en gezond. Het zou nog een uurtje duren voor de zon met een laatste prachtige kleurengloed die de hele westelijke hemel zou beslaan de intredende duisternis zou begroeten.

Langzaam tufte onze trein voort, langs diepe en steile afgronden en door dichtbegroeide jungles. Totdat, 7 kilometer voor het dorp Kloo, zoals later zou blijken, er geheel onverwachts weer iets gebeurde.

Plotseling hoorden we een hels kabaal, voelden enkele schokken en al piepend en knarsend kwam de trein tot stilstand. De passagiers werden behoorlijk door elkaar gerammeld en reageerden toch wel enigszins geschrokken. Onder sommige passagiers brak zelfs lichte paniek uit, doch de meeste reizigers keken slechts wat verwonderd om zich heen. De rotte vis lag nu in sommige gevallen zelfs bij de mensen op schoot! Wat was er nu gebeurd? Enkele passagiers, die daar snel achter wilde komen, sprongen door de open ramen uit de trein en gingen op zoek naar de locomotief Frank in Birma.jpg (23788 bytes)en de machinist. Gewapende soldaten van het reguliere Birmaanse leger in alle Birmaanse treinen reizen gewapende escortes mee volgden op de voet (ook via de ramen), en groepeerden zich als een lint om de trein. Het bleek al snel dat we ontspoord waren en niemand twijfelde er ook maar een moment aan of er was sabotage in het spel. In de vele onherbergzame grensgebieden van Birma met zn even zovele rebellerende stammen is sabotage aan de orde van de dag en niemand was dan ook enigszins verbaasd. Men houdt hier met dit soort dingen rekening, alsof het de gewoonste zaak van de wereld is. In dit geval waren het hoogst waarschijnlijk de Shan rebellen die de ontsporing op hun geweten hadden.

Sonja en ik zaten in de drie-na-achterste wagon, die wonder boven wonder nog geheel op de rails stond, terwijl alle wagons vr ons van de rails lagen, inclusief de achteras van de locomotief. De hele trein voor ons stond zo scheef als de toren van Pisa, doordat de rechter wielen zon 20 cm naast de rails stonden, soms nog maar net op de houten spoorbielzen. Men had de oorzaak snel gevonden. Over een stuk baan van pakweg drie meter waren de bouten uit de rails gehaald ze lagen gewoon naast de rails in het grind en was een stuk rails vakkundig ontwricht.

Meteen werd ons duidelijk dat we erg veel mazzel hadden gehad. De Shan hadden een gevaarlijke plek voor hun aanslag uitgekozen. Rechts van ons de kant welke de trein overhelde doemde een diepe, steile afgrond op, waarvan we de bodem niet konden onderscheiden. En links van ons liep de beboste helling schuin omhoog. En we zaten precies in een scherpe bocht. Onze trage snelheid had ons ditmaal gered. Als we wat meer de vaart erin hadden gehad, lagen we nu waarschijnlijk met zn allen ergens beneden in het ravijn - en meer dood dan levend. Dan hadden de Shan terroristen, zoals ze hier door de Birmanen genoemd worden, een makkie aan ons gehad. Want iedereen scheen te weten - uit ervaring? - dat boven op de helling, hooguit enige honderden meters van ons vandaan, een dikke honderd, gewapende rebellen verscholen lagen. En als die naar beneden kwamen stormen kon het nog wel eens knap spannend worden.

Birmese_Fluteplayer.jpg (17222 bytes)Maar helaas voor de Shan stonden we nog op de rails, al was het kantjeboord geweest. En bovendien stond er nu achter iedere boom in de buurt van de trein een soldaat met een geweer omhoog te turen, op alles voorbereid. Ook al was de helft van die soldaten straal bezopen - dat konden de rebellen van die afstand toch nooit ruiken en wie weet waren zijzelf ook niet allemaal even nuchter - het maakte de zaak er voor de Shan nu niet eenvoudiger op. Zo kon het gebeuren dat er geruime tijd niets gebeurde. De soldaten bleven door hun geweren naar boven turen en de Shan lagen verscholen tussen het groen af te wachten. Een zogenaamde patstelling dus.

Onze medepassagiers hadden zich vanaf het prille begin al om ons bekommerd en trachtten ons zoveel mogelijk gerust te stellen. Nu was ik niet bepaald ongerust. Ergens in mijn binnenste hoopte ik op actie en sensatie, maar het leek er allemaal niet van komen. Mijn mijmeringen over een lange vakantie in Noordoost-Birma als gijzelaar van de Shan zouden voorlopig geen werkelijkheid worden. En Sonja vond het allemaal maar beter zo, en waarschijnlijk had ze ook wel gelijk.

Het was intussen pikdonker geworden, zowel binnen als buiten. Buiten krioelde het van de vuurvliegjes, een bijzonder gaaf gezicht. Binnen was er geen elektriciteit en het was er een grote puinhoop, maar de sfeer was nog steeds uitstekend, alsof we met zn allen aan het kamperen waren. Het was etenstijd en dat werd, ondanks alles, niet vergeten. In onze wagon maakten mensen allerlei pakketjes met etenswaren open en buiten, een metertje naast de trein, zaten velen een potje met rijst te koken. Ook al hadden Sonja en ik geen eten bij ons, dat deerde niets, want we werden voortdurend door iedereen van vreemde doch smakelijke hapjes voorzien. De mensen waren echt grandioze gastheren voor ons, maar ook onder elkaar waren ze zeer vriendelijk en behulpzaam. Terwijl enige honderden mannen hun schouders tegen de trein zetten en met man en macht probeerden om het oude beestje weer op zijn pootjes te krijgen, kookten anderen het avondeten, zongen een liedje of rookten een cheroot een lange, in een masblad gerolde, Birmaanse sigaar.

Zo stonden we daar met zn allen zon 5 uur in het pikdonker. Ik moet toegeven dat de soldaten af en toe wel even verslapten, maar niemand hield nog rekening met een aanval door de Shan rebellen. Ik zou dus deze keer geen rebel te zien krijgen. Waarschijnlijk waren die allang weer naar huis gegaan, sinds wij niet in dat diepe ravijn waren gedonderd. Laat in de avond, nog nt voor middernacht, was het zware karwei dan toch geklaard. De rails waren weer vastgeschroefd en we stonden weer met alle wielen op de rails. En dat alles was bewerkstelligd door pure mankracht - zonder enig materieel -, door honderden vrijwilligers die in het pikdonker, met een theoretische kans op een gewapende aanval, urenlang hadden staan zweten voor de goede zaak.

Nam-The Village.jpg (11439 bytes)Tijdens al dat gezweet had ik een tijdje met een geladen 9 mm. pistool zitten spelen, dat ik van een stomdronken soldaat in bruikleen had gekregen! Hij was er eerst mee aan het zwaaien geweest, nogal gevaarlijk, maar zo gauw hij ons in de peiling kreeg, kwam hij uitgelaten naar ons toe en drukte het dodelijke schietijzer zo maar in mijn handen. Ook zn legerveldfles, die vol met drank zat, mochten we meehelpen soldaat te maken. Voor de beleefdheid namen we enkele slokken. Zijn Engels was nog slechter dan mijn Birmaans, maar hij probeerde ons duidelijk gerust te stellen. Hij zei de zaak geheel onder controle te hebben en beloofde ons dat er niets zou gebeuren. "If we did like Burma?" vroeg hij op een gegeven moment. "Nou, very much natuurlijk", was ons antwoord. Reizen door Birma, een land dat na een verwoestende Tweede Wereldoorlog nooit meer geheel is opgebouwd, - en waar het Birmaanse leger zich bijvoorbeeld nog bedient met op de Jappen buitgemaakte wapens uit 1945! is altijd vol verassingen, zo ook weer vandaag.

Toen we weer eenmaal waren vertrokken duurde het nog ruim drie uur (nog steeds in het pikdonker) voor we eindelijk, en dodelijk vermoeid, Swenyaung binnenreden. Net als op ieder ander station wemelde het ook hier van de soldaten. De meeste passagiers waren nog wel even bezig met het uitladen van alle rotte vis, en de koelies op het station hadden daar natuurlijk geduldig op zitten wachten. Sonja en ik wisselde nog wat adressen uit met sommige Birmanen voor we ons de stad in waagden, op zoek naar een goedkoop hotel. Het was me het dagje wel geweest. De rit van Thazi naar Swenyaung had ruim 18 uur geduurd en vanaf Rangoon gerekend hadden we bij elkaar zon 30 uur, onafgebroken en zonder enige slaap, in overvolle treinen gezeten. Maar het was wl weer een onvergetelijke ervaring geweest en daar is het een avonturier nu juist nt om te doen.

Frank Ossen 2002

THANKS FOR READING