PHOTOGALLERIES TRAVELOGUES ABOUT US MUSICAL INSTRUMENTGUIDE CONTACT US
|
De Esala Kataragama Perahera Tekst en Foto’s: Frank Ossen |
\
|
Augustus 1980 Zoals alle traditionele bedevaartplaatsen geassocieerd worden met historische gebeurtenissen en legendes, zo kent ook Kataragama, een klein dorpje in de jungle van Sri Lanka, zijn verhalen. In de Skanda Purana staat ondermeer het volgende opgetekend:
Reeds in zijn kinderjaren openbaarde Kartikeya zijn buitengewone krachten en nu werd hij dus aangesteld als gezagsvoerder en opperbevelhebber van het Sura-leger. Van zijn moeder Parvati had hij een lans cadeau gekregen; de Matadigatrisul, beter bekend als de vermaarde Vel. Parvati had het ding zomaar ergens uit haar goddelijke lijf getoverd. De tot de tanden bewapende Kartikeya werd vervolgens door vader Shiva naar het zuiden gestuurd om de strijd aan te binden met Sura-Padma. Kartikeya kwam naar Thiruchendur, een haven in Tamil Nadu tegenover Lanka, en besloot zijn boodschapper Veeravagu naar het eiland te zenden met een ultimatum voor de demonenkoning op zak. Dit luidde als volgt: "Laat Indra en de andere goden onmiddellijk vrij of anders volgt de strijd op het slagveld." Sura-Padma koos vanzelfsprekend voor de laatste optie en dus voerde Kartikeya zijn troepen aan op het slagveld en reeds bij de eerste de beste aanval trof hij de Asura-koning met zijn onzichtbare Vel in de borst. Zwaar gewond zakte Sura-Padma in elkaar en smeekte Kartikeya om genade én om zijn leven. Kartikeya liet hem in leven, maar transformeerde Sura-Padma in een haan en even later in een pauw. Daarmee was de strijd ten einde en de goden konden weer in vrijheid leven. Doch niet lang daarna werd Kartikeya zelf getroffen door een pijl………van de liefdesgod Madana en raakte in verrukking van een schone prinses uit het heuvelachtige binnenland van Lanka; een Vedda meisje met de naam Valli. (De Vedda’s, een kort gebouwd negroïde volk, zijn de oudst bekende bewoners van het eiland.) De plek waar ze elkaar voor het eerst ontmoetten, en waar ook de daaropvolgende bruiloft zou plaatsvinden, heet sindsdien Kataragama. En de traditie wil dat Kartikeya daar nog steeds met zijn Valli verblijft.
Terwijl hij daar zo druk mee bezig was, verscheen er plotseling een Sadhu voor hem die zoveel goddelijkheid uitstraalde dat Dutugemunu flauw viel. Toen hij weer bij kwam zag hij de god Skanda-Kartikeya voor hem staan. Deze overlaadde hem met wapens en verzekerde hem de overwinning. Dutugemunu beloofde Skanda de tempel te herbouwen en rijkelijk te zullen versieren na zijn terugkomst. Dutugemunu hield zich aan die beloftes, als dank voor de hulp van de godheid die hem inderdaad in staat had gesteld om Elala, de Tamil koning, te verslaan en zo zijn verloren koninkrijk te heroveren. De koninklijke verfraaiingen werden verder uitgebreid door zijn opvolgers. Dat de plaats ook voor Boeddhisten heilig is heeft een andere oorzaak, namelijk het bezoek van de Boeddha zélf aan Kataragama. En uiteraard door de aanwezigheid van de Ashta Phala Bodhi-boom, eens een twijg van de Shree Maha Bodhi-boom uit Bodhgaya (noord-India), en indertijd door Asoka’s dochter Arahat Sanghamitta naar Sri Lanka gebracht. Bovendien staat zo’n 300 meter verderop een grote, witte stupa, de Kiri Vihara. De Moslims tenslotte hebben er een kleine moskee neergezet en, hoewel er geen kerk of zelfs maar een kapelletje in de buurt is, maken ook steeds meer Christenen een bedevaart naar deze heilige Kshetra. Waarlijk alle grote wereldgodsdiensten hechten grote spirituele waarde aan de plaats en bezoeken haar tijdens de Perahera in een gebroederlijke, harmonieuze sfeer. En dat mag uniek genoemd worden in de wereld.
Enkele eeuwen geleden, eind 16de begin 17de eeuw, werd de noord-Indiase sage Swami Kalyangiri overmand door verdriet door het langdurige verblijf van Kartikeya op Sri Lanka en besloot hem naar het vasteland van India terug te brengen. Met dit doel voor ogen bezocht Swamiji Kataragama, doch ondanks verwoedde pogingen faalde hij een onderhoud met Kartikeya te verkrijgen. En dus besloot Swamiji om twaalf jaar onafgebroken te mediteren en boete te doen. Gedurende al die tijd probeerden een Vedda jongen en meisje zijn aandacht te trekken door hem goed, en met veel liefde, te verzorgen. Op zekere dag, tegen het einde van het twaalfde jaar, viel hij in een diepe slaap. Hij had die hele dag zitten treuren waarom hij nog altijd geen visioen, of zelfs geen glimps, van de Lord had mogen zien. En juist toen onze Swamiji zo lekker lag te slapen, maakte de Vedda jongen hem wakker. De Swami, ruw gestoord in zijn slaap, riep woedend: "Hoe haal je het in je bolle hoofd om m’n rust te verstoren, terwijl je weet dat het mijn eerste dutje was in twaalf jaar? Scheer je weg, dekselse jongen!" De verschrikte jongen stamelde wat excuses en zette het op een lopen. Swamiji rende echter achter hem aan totdat ze bij een zandbank in de rivier kwamen. En daar zou plotseling zijn lang gekoesterde wens in vervulling gaan, want de jongen stopte en transformeerde zichzelf in Lord Subrahmanian. Bij
Swamiji ging gelukkig direct een lichtje branden en tot zijn grote
vreugde realiseerde hij zich dat de Vedda kinderen al die tijd niemand
anders waren geweest dan Kartikeya en de godin Valli. Vol overgave
stortte hij zich vervolgens voor de voeten van Skanda, vroeg vergeving
voor zijn daad, doch verzocht de Godheid om met hem mee terug naar
Bharatavarsa (India) te gaan. Dat gaf natuurlijk problemen met Valli,
die er bij Skanda op aan drong haar niet in de steek te laten en in
Kataragama te blijven. Naast Swami Kalyangiri en koning Dutugemunu is er nog een andere ziel met grote befaamdheid in Kataragama neergestreken, namelijk Swami Kesopuri. Deze Swami, op Sri Lanka beter bekend als Palkudi Bawa – vanwege zijn overleven op melk (pal) en niets anders -, stamde af van een hoge Brahmaanse familie uit Allahabad en omhelsde het barre leven van renunciatie al op zeer jonge leeftijd. Aangespoord door het vuur van de renunciatie wandelde deze baba kriskras door India; van Puri Jagannath tot Dwarka, en van Kedarnath tot Kanyakumari. En in het begin van de 19de eeuw kwam hij ook naar Sri Lanka waar hij de jungle van Kataragama bij uitstek geschikt vond voor spirituele oefeningen. En daar in Kataragama loste zijn geest op in een oceaan van Sadhana. Niemand kent de precieze duur van zijn Sadhana. Echter tegen dezelfde tijd raakte een andere noord-Indiase baba, Swami Surajpuri geheten, verzeild in Rameshwaram, een andere heilige plaats in Tamil Nadu, waar zich één der twaalf jyotirlingams – een door de natuur gevormde lingam - bevindt. Swami Surajpuri nu kreeg daar in Rameshwaram een soort goddelijk telefoontje, welk hem er toe aanzette een pelgrimage naar Sripada (Adam’s Peak) in Sri Lanka te ondernemen. En eenmaal in Sripada aangekomen kreeg hij weer zo’n geheimzinnige oproep om verder te gaan naar Kataragama en aldaar zijn diensten aan te bieden aan Swami Kesopuri, die intussen druk met zijn Tapasya in de weer was. Surajpuri trof daar Kesopuri en diende hem naar zijn beste kunnen. Niet lang daarna gaf Kesopuri de brui aan alle soorten vast voedsel en leefde sindsdien geheel en alleen op melk, en werd bekend als Palkudi Bawa. In 1898, in Colombo, blies de inmiddels al op hoge leeftijd zijnde Palkudi Bawa zijn laatste adem uit. Zijn overblijfselen werden naar Kataragama gebracht en daar bijgezet in een inderhaast opgetrokken Samadhi-tempel, vlak bij de Muthulinga Swami tempel en de tempel van Kartikeya. Over Kataragama kunnen nog legio andere verhalen verteld worden, maar ik zal het hierbij laten.
In het sanctum sanctorum zijn een stel gordijnen opgehangen, drie rijen dik, en niemand, behalve de Kapurala’s – de tempelpriesters – wordt het toegestaan om daarachter een kijkje te nemen. De gordijnen blijven daar eeuwig zo hangen waardoor de aanbidders altijd gescheiden blijven van het Heiligste der Heiligen. Sommigen menen dat er zich een kistje achter de gordijnen bevindt, met daarin een gouden plakkaat, waarop een Yantra – een heilig diagram – gegraveerd is. En naar men aanneemt huist daarin die onvoorstelbare goddelijke kracht. De hele affaire blijft in een mysterie gehuld, doch een ieder die zich binnen de muren van de tempel begeeft of bevindt wordt als het ware "tegen de vlakte geslagen" en daarna afgevoerd, zo sterk is deze mysterieuze en niets loslatende kracht van goddelijke oorsprong. De werking van deze "Onpersoonlijke Absolute Goddelijke Realiteit", is een waar ongeëvenaard fenomeen. De Heer, in zijn manifestatie als Bhagwan Krishna, heeft in de Bhagavad Gita ondubbelzinnig verklaard dat een ieder, wat voor achtergronden en denkwijzen hij ook mag hebben, die de Heer om vergeving vraagt, die ook van de Heer zelf zal krijgen. Alle filosofische formules, gezette doctrines, atheïsme en sceptisme worden hier met mokerslagen tot niets verpulverd en een ieders ziel staat daar grondig getransformeerd voor God. De, altijd naar feiten hunkerende, westerse wetenschap heeft tot nu toe hopeloos gefaald hiervoor een verklaring te vinden. Wonderen dan? Ook wonderen houden op te bestaan zodra ze geheel met de feiten overeen blijken te komen en wel degelijk een echte ommekeer in iemands leven kunnen veroorzaken. Het is beslist geen onwaar of tegenstrijdig gegeven dat de Heer zich manifesteert in verschillende menselijke gedaantes en verschijnt aan zijn trouwe, vrome volgelingen in hun onbewaakte ogenblikken. Om hen boodschappen te geven die hun geestelijke en/of lichamelijke wonden kunnen helen. En juist als deze gelukkige lieden weer bij hun verstand raken, en de ware identiteit van de goddelijke boodschapper proberen vast te stellen, dan floeps……… verdwijnt hij weer om voorlopig niet meer terug te komen. De annalen van Kataragama bruisen van dit soort gebeurtenissen en het boek wordt elke dag met verse bladzijden gevuld. Zelfs een vluchtig bezoek aan deze heilige tempel tijdens de Esala Perahera zal iedere gedoodverfde criticus ervan overtuigen dat er hier mysterieuze krachten huizen en werken. Gedurende de Esala Perahera, gehouden ieder jaar in de maand juli of augustus, ontwaakt het anders zo slapende dorp Kataragama uit zijn sluimer onder de hete tropenzon en wordt getransformeerd tot een ware stad, vol met spektakels en krioelend van de mensen. Alle hotels en dharmsala’s zijn lang van tevoren volgeboekt en duizenden mensen slapen op straat of bivakkeren op grasveldjes naast de tempels en langs de rivier. Handige particulieren met een zakenneus verhuren smerige kleine kamertjes zonder voorzieningen voor een schandalig hoog bedrag, dus ik moest de portemonnee behoorlijk opentrekken. Grote woeker alom dus, voor veel mensen is dit de ideale tijd om wat bij te verdienen, een bekend bijverschijnsel gedurende zulke grote happenings. Vanuit iedere uithoek in Sri Lanka rijden overvolle, extra ingezette bussen af en aan richting Kataragama De uit de ramen puilende passagiers heffen luidkeels het "harohara" aan, het wacht- en codewoord tijdens de Perahera. Ossenkarren, tractoren en vrachtwagens, alle vol geladen met pelgrims, hobbelen door de jungles in een echo van "harohara". Iedereen op het eiland is hoteldebotel! Vele duizenden sadhu’s en pelgrims, en soms ook een toerist, zwerven wekenlang te voet door de jungles op weg naar de tempel in Kataragama, een beslist geen gemakkelijke en comfortabele trip. De jungles, normaal vol met gevaarlijk en groot wild zoals olifanten, tijgers, panters, krokodillen en slangen (maar vooral muggen), zijn tijdens de Esala Perahera zonder gevaar, daar alle wild zich terugtrekt door het schallende "harohara" van de pelgrims...... behalve de muggen dan.
Vanaf de eerste tot en met de laatste dag worden er grote processies gehouden. ’s Avonds bij maan en fakkellicht met dansers, drummers, acrobaten, vuurvreters, prachtig versierde olifanten en duizenden pelgrims. Kleinere optochten met muziekgroepen en Vel-dansers vinden onophoudelijk en overal plaats. Velen dansen met Kavadi’s op de schouders. Kavadi’s zijn 60 kilogram wegende halve bogen, versierd met zilverpapier en pauwenveren, welke pijnlijk kunnen prikken. Op blote voeten voert men hevige dansbewegingen uit, en in trance geraakt door het opzwepende ritme van de drums en de hypnotiserende klanken van de blazers, schijnt men de loodzware Kavadi’s niet meer te voelen met als gevolg dat sommigen niet van ophouden willen weten. Menigeen heeft ook een kleine, zilveren Vel door de lippen en wangen gestoken.
Dan volgen nog meerdere olifanten - eveneens versierd en begeleid door hun opzichters in traditioneel kostuum en compleet met haken en speren -, met meteen daarachter danseressen, blaasorkesten en priesters, en tenslotte volgen de vele pelgrims met op hun hoofden aardewerken potten met smeulende kamfer. De stoet wordt aan beide zijden geflankeerd door fakkeldragers. De zilveren koepel met het heilige kistje op de rug van de grootste olifant torent hoog boven de rest uit. De hoofdpriester verrekt geen spier, kijkt of zwaait niet naar de menigte, doch houdt het blik strak gericht op het heilige kistje. Langzaam beweegt de stoet zich in de richting van de tempel van Valli, die zich op zo’n 300 meter van Murugan’s tempel bevindt. De rit naar Valli duurt een kleine driekwartier, waarna de olifant en kwartiertje of zo voor haar tempel blijft wachten. De muzikanten en de dansers gaan intussen gewoon door. Alleen op de laatste dag van het festival wordt het kistje met de symbolische Murugan van de olifant gehaald en naast Valli in haar sanctum sanctorum geplaatst voor hun jaarlijks rendez-vous. Het gordijn wordt omlaag gelaten, de hoofdpriesters verwijderen zich en het paar wordt voor vijftien minuten alleen gelaten. Daarna is de pret voorbij en wordt Murugan weer op de olifant gezet, waarna de stoet zich weer in beweging zet voor de reis terug naar Skanda’s tempel. Mensen zijn in bomen geklommen, hangen aan lichtmasten en verdringen zich om de stoet goed te kunnen zien passeren. Ordebewaarders hebben er alle moeite mee om de meute in bedwang te houden, maar het ontaardt gelukkig niet in agressie en er vallen geen stokslagen.
In de drukke straten wordt constant ruimbaan gemaakt voor de zogenaamde rollers. Deze pelgrims met hun kaalgeschoren hoofden komen vanaf hun woonplaats – soms wel honderden kilometers hiervandaan – naar Kataragama gerold. Slechts in een lendenlap gehuld, en met een kokosnoot in de handen geklemd boven het hoofd, rollen deze mensen om hun lengteas door het rulle zand en hun gezichten bijten om beurten in het stof of kijken in de verblindende zon. Ik sprak met de vader van zo’n roller, die me verklapte dat zijn zoon enige jaren geleden naar Zuid-Korea was getogen om geld te verdienen. Zijn zoon had toentertijd aan Skanda gezworen bij eventueel succes naar Sri Lanka terug te komen om tijdens de Esala Perahera de afstand van zijn geboortedorp naar de tempel in Kataragama rollend af te leggen. Zo gezegd, zo gedaan, al kostte het hem wel drie weken om de afstand te overbruggen. Elke minuut kan men weer nieuwe rollers bij de tempel zien aankomen. De kokosnoot wordt dan geofferd door het ding met één worp te breken op een speciaal daarvoor bestemde plaats vlak voor de tempel. De rollers richten zich dan moeilijk overeind – voor het eerst sinds weken! – en staan dan in tranen tegenover God. Sommigen verliezen vervolgens het bewustzijn, doch de eed is volbracht. Anderen komen met Vels door hun wangen of lippen gespietst, welke de Kapulara’s vóór de darshan verwijderen, normaal gesproken een pijnlijke operatie, doch de pelgrims vertrekken geen spier. Hun wonden worden ingesmeerd met Vibhuti – heilige as – en als sneeuw voor de zon verdwijnen al hun fysieke pijnen en maken plaats voor onverkorte gelukzaligheid.
Soms worden de martelwagens met daarin de hangende sadhu’s door anderen naar de tempel getrokken. Niet met hun handen, maar in dezelfde stijl als de sadhu’s; met haken in de rug geslagen trekt men de hele wagen inclusief de hangende sadhu vooruit naar de tempel. Het vel van de trekkers is dan soms wel een halve meter uitgerekt! Op deze ongebruikelijke manier komen de trekkers en de hangers bij de tempel aan en ontvangen hun darshan van de Kapurala’s en smeren hun lichaam in met Vibhuti. Wilde taferelen kunnen zich daarbij afspelen. Een vrouwelijke trekker werd hysterisch vóór de darshan, en bij het krijgen van de darshan viel ze flauw en sloeg tegen de grond. Zoiets is geen uitzondering en er gaat herhaaldelijk iemand tegen de vlakte. Overal bij de tempel hangt de indringende geur van kamfer wat waarschijnlijk ook een woordje mee spreekt. Voor de tempel dansen mensen in extase met Kavali’s op de schouders in het rond, rollen over de grond, gooien met kokosnoten en pijnigen zichzelf met vleeshaken, Vel’s en ander scherp spul. Kortom, een compleet gekkenhuis. Een pelgrim met haken in de rug, Vel’s door de tong, lippen en wangen gestoken en een loodzware Kavali op de schouders, danste als een bezetene rond de tempel. De man probeerde vooruit te komen, terwijl de touwen aan de haken door een helper uit allen macht werden teruggetrokken. De touwen stonden strak en het bloed gutste uit de mans rug. Doch de trance waarin de man verkeerde was diep en men ging zo nog uren door. Ook deze pelgrim zou later door de Kapurala gezegend worden. Verder kan men sadhu’s tegenkomen die zich ergens in een dubbele lotus hebben geparkeerd en met de ogen wijd open de hele dag in de felle zon kijken. De zon zal de goede man verblinden, doch die hoopt daar innerlijke verlichting voor terug te krijgen. Sommigen hebben hun hand zo lang in een vuist gebald gehouden dat de vingernagels door hun handpalm heen zijn gegroeid! Ga er maar naast zitten. Het
grootste spektakel speelt zich af op de vooravond van de volle maan,
de voorlaatste dag van de Perahera. Het ritueel van Toeschouwers verdringen zich al uren voor het "lopen" eigenlijk pas begint aan beide zijden van de vuurbak. Voor buitenlandse toeristen is er een apart vak gemerkt – een bordje aan een boom met "Tourist Only" erop geklad -, maar gelukkig wel op een ideaal punt. Alle publiek wordt er door de hitte toe gedwongen op een afstand van 5 meter te blijven, maar soms waait gloeiend as je alsnog in het gezicht. Speciaal opgedirkte priesters verzamelen zich rond de vuurbak, drummers maken zich klaar en spelen wat in. De volle maan staat hoog aan de hemel en Skanda’s tempel is in felle kleuren verlicht. Midden in de nacht, zo tussen twee en drie uur, begint men te "lopen". Mensen brengen zich in gereedheid terwijl de drummers er nu op los slaan. Allerlei soorten mensen willen ineens lopen; priesters, sadhu’s, theeverkopers, oude vrouwen, mensen met baby’s op de arm, kinderen en zelfs politieagenten. De lopers vormen een lange rij en eenieder wordt apart gezegend door een Kapurala. Vervolgens stelt men zich op aan het begin van de vuurbak, kijkt strak naar (de tempel van) Skanda en stapt dan doodleuk blootsvoets 12 meter door de gloeiende kolen. Sommigen lopen tergend langzaam en blijven soms stilstaan, anderen voelen zich toch nog iets minder zeker van hun zaak en rennen er met grote stappen doorheen. Een
heel lieve baba uit Rameshwaram - in wiens gezelschap ik me die avond
bevond en die aldoor liedjes zong waarbij de tranen over zijn wangen
liepen – stond ineens op, trok zijn basketballers uit en liep met
een bos bloemen boven zijn hoofd al zingend door het vuur. De oude
baas wist niet van ophouden en na twee rondjes hielden enkele
politieagenten hem tegen. Ze vonden het kennelijk te gevaarlijk,
hoewel baba volgens mij zo veel shanti had dat hem niets scheen te
kunnen gebeuren. De politieagenten daarentegen waren Ruim een uur gaat het spektakel door, de kolen worden soms tussentijds gladgestreken zoals een ijsbaan wordt gedweild. Een dikke honderd mensen zijn intussen over het vuur gelopen en niemand voelde pijn of kreeg blaren. Hoe kan dat? Westerse toeschouwers zijn verbluft, behalve Peter dan. Een wonder? Of is het de mysterieuze aantrekkingskracht van Skanda, de onpersoonlijke goddelijke realiteit, dat de oorzaak is? Er is geen andere verklaring voor te geven. Tenslotte is alles mogelijk en er is niets wat niet kan. Beroemde yogi’s die kunnen zweven, of die zelfs drie maanden zonder zuurstof kunnen leven, bewijzen dit. Vuurlopen is daarbij vergeleken eigenlijk niets bijzonders. In het Indiase subcontinent kan men dat dan ook zo maar op straat of in het bos zien gebeuren. Wie goed kijkt ziet God overal, zelfs met zijn ogen open. Voor de mensen hier zijn dit echter allemaal geen wonderen, iedereen weet hier dat een ieder door wilskracht en oefening alles vermag, net zoals de yogi’s, die daar na jarenlange oefeningen al bedreven in zijn. Yogi’s en fakirs worden dan ook altijd met respect behandeld want het is geen kleinigheid wat zij doen, ook al zijn het geen wonderen. En Kataragama is een geschikte plek om dat te kunnen bewonderen, vooral tijdens de Esala Perahera. De ochtend na de volle maan en het vuurlopen vindt de sluitingsceremonie plaats, beter bekend als de "watercutting- ceremony". Lord Murugan wordt uit zijn tempel gesleept en naar een specifieke plek aan de oever van de Menik Ganga gebracht. Binnen in een gesloten tent wordt een grote puja uitgevoerd, terwijl buiten zo’n 50.000 mensen staan te trappelen van ongeduld. Een groepje Kapurala’s, gevolgd door een schitterend opgetuigd klein olifantje, verwijderen zich naar een plaats in het midden van de rivier om de eigenlijke ceremonie te voltrekken. De hoofd-Kapurala heft een lang kromzwaard en klieft enige malen door het wateroppervlak. Hij hakt zogezegd een stuk uit de stromende rivier en dat juist "uitgesneden" heilige water wordt direct in een regenton opgevangen. Ik heb mij laten vertellen dat deze ton met water voor het komende jaar zorgvuldig opgeborgen wordt tot er tijdens de volgende Esala Perahera weer een nieuwe ton met Theerta beschikbaar komt. Tijdens deze ceremonie zien de oevers van de rivier zwart van de mensen. Zo gauw de Kapurala’s en het olifantje met de waterton aanstalten maken om de rivier te verlaten, verdringt een ieder zich in het water voor een bad. Als de stoet priesters en de olifant aan wal zijn is de rivier al getransformeerd in een spetterende mensenmassa. Als dolle honden rennen de meesten door het, tot aan de knieën reikende water met maar één bedoeling: de ander even kopje onder te drukken of anders de volle laag te geven door met hun handen hard en schuin op het wateroppervlak te slaan. Mensenkinderen, wat een pret! Jan en alleman deed in dit waterfestijn mee, liefst met kleren aan natuurlijk, anders is het niet zo leuk. Water spat overal in het rond en wee diegene die, zoals ik, dichter dan twintig meter bij de oevers van de rivier komen: je raakt gegarandeerd drijfnat. Iedereen heeft hierin dolle schik, behalve de enkele toeristen die als de dood zijn dat hun dure foto en filmapparatuur door het water de vernieling in wordt geholpen. Voor Murugan is de pret ook nog steeds niet over, want gedurende het waterfestijn wordt hij naar de tempel van Valli gebracht waar hij een paar uurtjes op visite mag, waarna hij weer in zijn eigen sanctum sanctorum wordt bijgezet. En daarmee is er een einde gekomen aan deze grootse Esala Perahera in Kataragama. De honderdduizenden pelgrims, waarvan de meeste zo’n twee weken in de open lucht rondom de tempels hebben doorgebracht, kunnen aanstalten gaan maken om hun boeltje bij elkaar te pakken.
Ook voor mij was de tijd gekomen om mijn boeltje bij elkaar te pakken, afscheid te nemen van mijn bevriende sadhu’s en achteraan de rij te gaan aansluiten voor een plaatsje in een overvolle bus. Veel pelgrims bewegen zich van festival naar festival, en in deze maand is er wat dat betreft heel wat te beleven. Overal op het eiland vinden kleinere perahera’s plaats, vaak compleet met vuurlopen, doch er is maar één Kataragama Perahera. In het gedrang was ik erin geslaagd een plekje te bemachtigen in een bus naar Matara, zo’n beetje het zuidelijkste puntje van het eiland. Zodra de bus vertrok schalde het harohara weer door de lucht. Pas bij het vallen van de nacht sterft het gezang langzaam weg en keert de rust weer een beetje terug. Bij het krieken van de dag zijn de meeste mensen uit Kataragama vertrokken en is het weer tot een dromerig, verlaten dorpje in de jungles van Sri Lanka vervallen, waar niets te beleven valt. Totdat het volgend jaar tijdens de Esala Perahera ontwaakt en wederom voor veertien dagen het centrum van het universum zal zijn. Harohara! © Frank Ossen 2002 |
| THANKS FOR READING |