| Sabar | Senegalese trommel |
| Sablo | Thaise vedel |
| Sadjat | kleine vingercimbalen uit Turkije |
| Sahunay | scheidsrechtersfluitje van de Sulu Eilanden in de Filippijnen |
| Saing-waing | set bestaande uit 21 gestemde trommels, hangende aan een grote sierlijke stellage van hout en rotan. Dit Birmaanse instrument is zo groot dat de bespeler grotendeels uit het zicht verdwijnt. De saing-waing wordt ook wel putt-waing genoemd |
| Salamouri | dubbelfluit uit Georgië, populair onder herders |
| Saloma | klein rieten fluitje uit de Belorus. De saloma is niet groter dan een limonaderietje en wordt ongeveer 4 cm. in de mond gestoken |
| Salpinx | lange, dunne ivoren trompet met bronzen verstevigingsringen uit het oude Griekenland |
| Salung | primitieve rechte , open fluit van de Minang op West-Sumatra, gemaakt uit bamboe of riet, of van een rijststengel |
| Samica | 4-snarige korthalsluit uit Kroatië |
| Samisen | Japanse langhalsluit met 3 snaren en een met huid beklede romp. Het instrument wordt met een breed benen plectrum bespeeld |
| Sampek | 3-snarige korthalsluit van de Kenyah uit Borneo. Op de klankkast van dit instrument, dat uit een stuk hout gesneden is, zijn een aantal verplaatsbare bruggen aangebracht, waarmee de bespeler de stemming kan aanpassen |
| Sampona | Peruaanse bamboe pansfluit met een geschiedenis van ca. 3500 jaar. Ook wel ziku genoemd |
| San-hsien | 3-snarige Chinese langhalsluit die met een plectrum wordt bespeeld. De san-hsien heeft een opvallend kleine, rechthoekige klankkast die aan beide zijden met slangenhuid is bespannen |
| Sanitsa | kleine, hooggestemde luit uit Kroatië |
| Sanga | schraper van de Nogoendo uit Congo-Zaire |
| Sange | alto-xylofoon uit Mozambique |
| Sangualtap | 3-snarige luit van de Mansi uit Siberië |
| Sangwa | 5-snarige lier van de Gumusj uit Soedan, met een met koeienhuid bespannen houten klankkast. De snaren zijn van hennep gemaakt en het plectrum waarmee de snaren getokkeld worden is van gedroogde koeienhuid gemaakt |
| Sansa | de sansa is een getokkeld instrument dat bestaat uit een aantal tongen van metaal of gespleten riet op een houten bord of resonansdoos. De tongen worden op hun plaats gehouden door een dwarsstaaf, en iedere tong heeft een vrij uiteinde dat wordt getokkeld. Het tokkelen geschiedt gewoonlijk met de duimen, vandaar de bijnaam ‘duimpiano’. Het instrument komt in vele vormen en maten, en onder vele namen voor in geheel Afrika beneden de Sahara |
| Sanshin | 3-snarige Japanse luit |
| Sanso ababo | duimpiano met 24 lamellen van de Bira uit Congo-Zaire. De sanso ababo wordt meestal gebruikt als bas-likembe in samenspel met de hoger gestemde sanso apido |
| Sanso apido | duimpiano met 20 lamellen van de Bira uit Congo-Zaire |
| Santar | met 4 stalen snaren bespannen, primitieve luit uit Gujarat (West-India), die alleen gebruikt wordt voor de ritmische begeleiding van een zanger |
| Santir | 1#)
Perzisch hakkebord met ondiepe klankkast en verplaatsbare kammen
2#) 76-snarig, Iraaks hakkebord met een diepe resonansdoos met daarin drie klankgaten. De metalen trippelsnaren zijn bevestigd aan stemschroeven in de zijkant van de kast. Het oudste teruggevonden exemplaar in Mesopotania dateert van zo’n 4000 BC |
| Santoor | trapeziumvormige kistciter met 76 tot 87 snaren, die met vilten hamertjes of met hamertjes van walnootdoppen worden aangeslagen. De snaren omvatten zo’n anderhalf octaaf. 12 van de tonen hebben 8 snaren, 4 van metaal en 4 van koper die als resonantiesnaren dienen. De kammen zijn vervaardigd uit rozehout. Het instrument kent een 6000 jaar oude geschiedenis en heeft zijn oorsprong in Mesopotania, van waaruit het zich heeft verspreidt over Iran, Kasjmir en Noord-India |
| Sao-oi | spleetfluit van de Muang uit Vietnam |
| Sapé | 2 a 3-snarige langhalsluit van de Dayak uit Borneo. Het instrument wordt uit een stuk hout gesneden en is rijkelijk versierd met kleurvolle motieven |
| Sa-phi-ku | hardhouten blokje van 13 cm. lengte uit China, gemonteerd op een voetstuk en bespeeld met een dunne houten stok |
| Sarang | vereenvoudigde uitvoering van de Indiase sarangi uit Kashmir. Deze vedel heeft 4 snaren en 13 resonantiesnaren met een bereik van anderhalf octaaf en is uitermate geschikt voor de Kashmiri volksmuziek |
| Sarangi | Noord-Indiase vedel waarvan wel wordt beweerd dat, van alle instrumenten, zijn klank het meest op die van de menselijke stem lijkt. De sarangi is ongeveer 60 cm. lang en is vervaardigd uit één enkel stuk uitgehold hout, waarvan de klankkast is afgedekt met perkament. Het instrument heeft 3 darmsnaren voor de melodie en heel soms een vierde snaar van messing die voor de drone kan worden gebruikt. De snaren lopen over een kam die zich midden op de buik van het instrument bevindt. Aan beide zijden van de klankkast zijn grote boogvormige inkepingen aangebracht om het strijken te vergemakkelijken. 35 tot 40 metalen resonantiesnaren, bevestigd aan de zijkant van de hals en aan de kop van het instrument, lopen onder de melodiesnaren door en verfraaien de klank. De sarangi is zowel als solo-instrument en als begeleidingsinstrument bijzonder populair in Nepal, Pakistan en Noord-India. In Zuid-India is het instrument vrijwel geheel verdrongen door de westerse viool |
| Sarinda | 4-snarige vedel uit Baluchistan. Dit strijkinstrument, dat identiek is aan de sorud en de qeychak, heeft ook nog 6 tot 8 resonantie snaren die over een met gazellen- of geitenleer afgedekte klankkast lopen |
| Sarod | getokkelde luit uit Afghanistan, Pakistan en Noord-India. Het instrument is geheel van hout gemaakt en meet tussen de 1 en 1½ meter. De geronde klankkast is zo'n 30 cm. diep en afgedekt met perkament. De sarod telt 6 metalen snaren voor de melodie en de drone, en nog eens 11 à 12 resonantiesnaren, maar er worden tegenwoordig ook exemplaren gemaakt met 8 snaren en wel 17 resonantiesnaren. Het instrument wordt met een plectrum bespeeld en het kent geen frets. De snaren worden daarentegen met de vingers van de linkerhand afgestopt om de juiste tonen te kunnen produceren. Om het glijden van de vingers tijdens het spelen te vergemakkelijken is er op het vingerbord - de bovenkant van de hals - een dunne plaat gepolijst metaal aangebracht. De sarod wordt meestal als solo-instrument gebruikt. De klank van het instrument is diep en heeft een charmante, natuurlijke galm |
| Saron demung | grotere uitvoering van de Indonesische saron ricik, met 14 bronzen toetsen |
| Saron panerus | Indonesische metallofoon, identiek aan de saron peking |
| Saron peking | kleinere uitvoering van de Indonesische saron ricik |
| Saron ricik | Indonesische metallofoon met 6 bronzen of ijzeren toetsen, die door de rechterhand met een houten hamer worden bespeeld terwijl de linkerhand de toetsen dempt. De saron is een vast onderdeel van een gamelanorkest en volgt daarin de basismelodie |
| Saroze | Pakistaanse vedel met 4 melodiesnaren en 8 resonantie-snaren |
| Sarune | schalmei van de Karo-Batak uit Noord-Sumatra |
| Sarune bolon | hobo met een afneembaar uiteinde, bespeeld door de Toba-Batak uit Noord-Sumatra |
| Sarune etek | kleine klarinet van de Toba-Batak uit Noord-Sumatra |
| Sasabagan | anderhalve meter lange houten balk hangende in een standaard van hout of bamboe. De Batak uit Palawan (Filippijnen) bespelen dit instrument met 5 personen die met 10 houten stokjes van zo'n 25 cm. tegen de balk tikken. Dit curieuze instrument heeft wel iets weg van de bekendere Baskische txalaparta |
| Sasando | buisciter met resonator uit Timor (Indonesië) |
| Satara | dubbele herdersfluit uit Rajasthan (India) |
| Saung-kauk | rijkelijk versierde, 14-snarige Birmaanse harp in de vorm van een boot. De saung-kauk rust op een standaard en wordt gestemd met een zijden koord, dat aan de snaren is bevestigd en om de hals van de harp is vastgebonden. Het instrument heeft zijn wortels in India maar komt tegenwoordig alleen nog in Birma voor en is uniek in Azië. De saung-kauk wordt als solo-instrument gebruikt maar ook om de simpele 'cho' liederen en de esoterische 'yodaya' liederen te begeleiden, vaak samen met de si en de wa-let-kyong, die voor het ritme zorgen |
| Sauragh | getokkelde korthalsluit uit Bangladesh en de Indiase deelstaat West-Bengalen |
| Sauruba | lange, smalle dubbelvellige handtrommel uit Senegal en een voorloper van de sabar |
| Saw-thai | 3-snarige, Thaise spikevedel met een ondiepe, ovale romp |
| Saz | populaire langhalsluit uit Turkije en Azerbaijan. De smalle, doch opvallend diepe klankkast van de saz is meestal gemaakt van walnoothout, rozenhout of moerbeiboomhout. De lange hals daarentegen wordt vaak uit coniferenhout vervaardigd. De saz heeft 6 tot 8 snaren, die over 10 tot 19 nylon frets lopen. De snaren worden óf met de vingers van de rechterhand aangeslagen, óf met een plastic plectrum getokkeld. De stemming van het instrument hangt af van de plaats in Turkije waar men zich bevindt en de soort maqam dat men speelt. De meeste saz-spelers passen de stemming van hun instrument zodanig aan dat die goed harmoniseert met hun eigen zangstem |
| Saz-i-kashmir | Kasjmiri variant van de Turkse saz |
| Sehtâr | Iraanse langhalsluit |
| Seke-seke | ratel van de Bambara uit Mali |
| Seleka | een op feesten veel gebruikte eendenfluit uit de Belorus, die klinkt als een Indiase slangenbezweerderfluit |
| Selingub | neusfluit met 5 vingergaten, bespeeld door de Kayan-Dayak uit Sarawak (Borneo) tijdens begrafenissen om met de doden te kunnen communiceren |
| Seredou | bamboe dwarsfluit uit Mali, waarvan de uiteinden zijn afgedekt met een stukje hout. Het instrument is ca. 60 cm. lang en heeft 4 vingergaten |
| Seruling | rechte rieten fluit van zo’n 40 cm. lengte, populair bij de Meratus-Dayak uit Borneo |
| Serunai | 1-snarige vedel van de Iban uit Sarawak (Borneo) |
| Sésé | metalen bellen van de Siamou uit Burkina Faso |
| Seurene kalee | veldhobo met een enkel riet, gebruikt in Aceh (Noord- Sumatra) als begeleidingsinstrument van de ‘Ranub Lam Puan’, een traditionele dansvoorstelling |
| Shaab | Thaise bekkens, ook bekend onder de naam gaab |
| Shagana | 3-snarige vedel uit Dagestan |
| Shaing | korte, primitieve koehoorn uit Cambodja |
| Shakuhachi | Japanse bamboe fluit met een ongewoon wijde boring, die van binnen is gelakt |
| Shaleika | dubbelfluit uit de Zuidrussische regio |
| Shamisen | 3-snarige Japanse langhalsluit, zie ook samisen |
| Shanai | dubbelriet blaasinstrument met 8 of 9 vingergaten, waarvan er echter maar 7 voor de melodie gebruikt worden, en een metalen bekervormig uiteinde. Het geluid van dit instrument is zo hard dat het voornamelijk in de buitenlucht wordt bespeeld, zoals in processies, maar het heeft tegelijkertijd ook de status van een concertinstrument, vooral in Iran en Noord-India. De shanai komt vooral voor in Noord-India, Nepal, Pakistan, Iran en de Turkse gebieden in Azië. |
| Shankh | een grote schelp waar de punt van is afgezaagd zodat er lucht doorheen geblazen kan worden. De shankh is een erg oud instrument en doordat het een van de attributen van de Hindoe-god Vishnu is, heeft het instrument een heilige status gekregen in India. Krishna en Arjuna gebruikten beiden de shankh als oorlogstrompet op het slagveld, verhaald in de Mahabharata. Het geluid draagt enorm ver, trekt ieders aandacht en wordt daarom nog altijd in tempelceremonien en bij processies gebruikt. In de Pacific worden overigens gelijksoortige schelpen gebruikt als blaasinstrument |
| Shan osi | lange, ranke vaastrommel van de Shan uit Birma |
| Shan-trom | Birmaanse platte bronzen gong, geplaatst op een trommelachtige basis met holle zijden. Het oppervlak waarop wordt geslagen is versierd met kleine kikvorsen |
| Shantu | Nigeriaanse trommel die alleen door de vrouwen van de Haussa wordt bespeeld |
| Shanzi | Tuvaanse luit |
| Shao-na | Chinese schalmei, zie ook sona en suona |
| Sharnai | een aan de shanai verwant dubbelriet blaasinstrument uit Himalchal Pradesh (Noord-India). Het instrument is ook bekend onder de naam nafiri, terwijl de Kinnaur de naam sharnal prefereren |
| Sharnal | zie boven |
| Shasja | Peruaanse geruismaker, bestaande uit een doek met daaraan stukjes teenbot van dieren geknoopt |
| Shekere | West-Afrikaanse kalebasratel van de Yoruba |
| Sheng | zeer verfijnd Chinees bamboe mondorgel met 18 pijpen |
| Shiao | rechte Chinese fluit |
| Shime-daiko | kleine Japanse zandlopertrommel, die door een touw wordt gestemd |
| Shinobue | antieke Japanse volksfluit |
| Shiwaya | eenvoudige bolvormige fluit uit Zuid-Afrika, gemaakt van een uitgeholde vrucht |
| Sho | zeer verfijnd Japans bamboe mondorgel met 14 pijpen, sterk gelijkend op de Chinese sheng |
| Shofar | hoorn van een ram, nog in gebruik als blaasinstrument in Israël |
| Shudda madalam | horizontaal gespeelde eenzijdige trommel uit Kerala in Zuid-India. Veel gebruikt voor de ritmische begeleiding van de Kathakali-dans. De shudda madalam lijkt veel op de mridangam, maar is groter en de pasta op het rechtervel is dikker en beslaat een groter oppervlak. Het geluid van de shudda madalam is hard en draagt erg ver |
| Shwi | Armeense blokfluit |
| Si | kleine Birmaanse handcimbalen |
| Silédiare | Albanese dubbelfluit, nog sporadisch in gebruik bij de Laps en de Tsjam in het zuidwesten van het land |
| Silimba | ruim 2 meter lange xylofoon van de Lotsi uit Zambia. Het instrument heeft 17 toetsen en grote klankresonatoren die gemaakt zijn van gedroogde baobab vruchten. Meestal wordt de silimba door twee muzikanten bespeeld |
| Silingut | neusfluit van de Orang Ulu uit Sarawak. Door de magische klank werd het instrument vroeger vaak gebruikt tijdens begrafenissen, maar ook voor liefdesliedjes. Tegenwoordig bestaan er nog maar enkele bespelers van dit moeilijk te bespelen instrument |
| Simsimmiyya | antieke Egypische lier uit de tijd van de farao's |
| Sing-ting | set bestaande uit 6 platte gongs van de Lac uit Vietnam |
| Sintir | 3-snarige basluit van de Gnawa uit het zuiden van Marokko, Algeria en Tunesië. Het instrument heeft een simpele rechthoekige klankkast afgedekt met kamelenhuid en een ronde houten stok vormt de hals van het instrument. De sintir zorgt voor de trance in de Gnawa-muziek en is ook bekend onder de namen guimbri, guembri, gombri en hajhouj |
| Sipsi | korte Turkse klarinet met een slagriet |
| Siring | Peruaanse pansfluit |
| Sirnai | Kazachstaanse trekharmonica met knopjes i.p.v. toetsen, ongeveer identiek aan de Russische bayan |
| Sirpakta | 1-snarige vedel van de Ultsj uit Siberië |
| Sisansi | duimpiano met 8 lamellen van de Lunda uit Zambia |
| Sisira | ratelaar uit Belize |
| Sistrum | rammelaar met rinkelende metalen schijfjes uit het oude Egypte en het Romeinse Rijk. Tegenwoordig worden ze nog gebruikt in de Ethiopische Kerk |
| Sitar | 1#)
Javaanse kistciter, gelijkend op de celempung, maar met
minder en hoger gestemde snaren, en ook geen pootjes onder de
klankkast. Dit instrument wordt ook wel situr genoemd
2#) deze Noord-Indiase luit is waarschijnlijk wel het meest bekende snaarinstrument van heel Zuid-Azië. Zo op het eerste gezicht lijkt de vorm van de sitar wel wat op die van de tambura, de Indiase basluit. De klankkast is vervaardigd uit een halve kalebas en afgedekt met dun hout en ingelegd met decoratieve stukjes ivoor of been. De holle hals is zo'n 90 cm. lang en 7½ cm. breed en daarop zijn met darmsnaar tussen de 16 en 22 metalen frets bevestigd en wel op zo'n manier dat ze kunnen worden verschoven, waardoor de speler iedere denkbare interval op het instrument kan spelen. Vaak heeft de sitar een tweede, kleinere houten klankkast die aan de onderkant in de hals wordt geschroefd. Over de boogvormige frets lopen de 4 metalen melodiesnaren en er vlak naast lopen de 3 chikari, snaren die voor de drone en voor ritmische begeleiding worden aangewend. Onder de frets door lopen nog eens 11 tot 12 resonantiesnaren, de zg. tarab. De sitar wordt in een zittende houding bespeeld waarbij de klankkast van het instrument rust op de binnenkant van het rechter dijbeen van de bespeler, die het instrument in een diagonale positie houdt. De snaren worden getokkeld met een van metaaldraad gevlochten plectrum, de zg. mizrab, die over de wijsvinger van de rechter hand wordt geschoven (wat behoorlijk kan knellen!) |
| Si-toe | kleine Birmaanse trommel |
| Situr | Javaanse kistciter, zie ook sitar |
| Sjansj | 3-snarige fretloze, banjoachtige langhalsluit uit Mongolië en uit de Siberische regio Boeryat. De rechthoekige hardhouten klankkast is bespannen met slangenhuid. De sjansj wordt uitsluitend door vrouwen en wel met een plectrum bespeeld. Het instrument is oorspronkelijk afkomstig uit China |
| Sjao-loh | kleine, schelle, van toon overslaande Chinese gong, die horizontaal op touwtjes rust en met een platte, houten stok hard wordt aangeslagen |
| Sjung | Chinees bamboe mondorgel, gelijkend op de khene uit Laos en Noordoost-Thailand |
| Skratjie | grote Surinaamse trommel waar bovenop een paar bekkens zijn bevestigd. Terwijl met de ene hand de trom met een stok wordt geslagen, bespeelt de andere hand de bekkens |
| Slentem | Indonesische metallofoon met dunne bronzen toetsen over bamboe klankresonators, die met vilten stokken worden bespeeld. In een gamelanorkest volgt dit instrument de basis melodie |
| Slonen | soort hobo van het Indonesische eiland Madura |
| Sludoy | bamboe citer met een open kant, zeer populair onder de T’boli en de Manobo uit Mindanao op de Filippijnen. De snaren, meestal zo’n 4 a 7 in getal, worden uit het bamboe los gesneden en door kleine kammetjes van de klankkast afgehouden. Meestal is in de zijkant nog een extra klankgat gemaakt |
| Snorrebot | een van oorsprong prehistorisch instrument, bestaande uit een koord met aan het uiteinde een plaatje van been, hout of bamboe dat snel in het rond wordt gedraaid en zodoende een zoevend geluid produceert dat zo angstaanjagend kan zijn dat het instrument in het bijzijn van vrouwen en kinderen niet gebruikt mocht worden. Het instrument wordt nog gebruikt door sommige primitieve volkeren over de gehele wereld |
| Sodina | fluit uit Madagaskar |
| Soe-em | Thais rinkelinstrument |
| Soem | Thaise luit |
| Solibao | conische trommel met een lengte tussen 1.50 meter en 2 meter van de Igorot in de Filippijnen. Deze trommel is bespannen met koeienhuid en wordt met de handen bespeeld |
| Sona | Chinese schalmei met 7 vingergaten en gelijkend op de Indiase shanai. Zie ook suona en shao-na |
| Sonajero | houten Mexicaanse rammelaar met rinkelende schijven |
| So-oe | 2-snarige Thaise vedel |
| So’okangge | klein fluitje gemaakt van een botje. Populair bij de Wayapi-indianen uit Frans Guyana |
| Sogo | Ghanese trommel |
| Soku | 1-snarige vedel van de Fula en de Peul uit Mali. Zie ook soukou |
| Sopile | klein type schalmei uit Ishtrie (Kroatië) |
| Sordine | 17de eeuws Italiaans ‘dansmeesterviooltje’ met een bootvormige romp |
| Sordone | dubbelriet renaissance blaasinstrument met dubbel gebogen buizen, waarin geblazen werd door een roerpijp |
| Soron | 11-snarige harpluit van de Malingke uit Mali en Guinee. De klankkast van het instrument is gemaakt van een kalebas die met huid is bespannen |
| Sorud | 4-snarige vedel uit Baluchistan, met 6 tot 8 resonantie snaren, ook bekend onder de namen qeychak en sarinda |
| So-sam-say | 3-snarige gestreken luit uit Thailand |
| Sossa bala | grote bala van de Malingke uit Mali en Guinee |
| Soukou | 1-snarige vedel uit Mali, zie ook soku |
| Soung | andere benaming voor de Birmaanse harp, de saung-kauk |
| Spagane | 2 houten blokjes met lederen handriemen, gebruikt als kleppers in Zuid-Afrika |
| Sralay | dikke, houten Cambodjaanse volksschalmei met een recht uiteinde |
| Sruthi-box | houten kistje met blaasbalg, met aan de bovenkant 15 gaten die met draaibare doppen geopend of juist gedicht kunnen worden, waardoor akkoorden gespeeld kunnen worden. Het instrument, waarvan het luchttoevoersysteem identiek is aan dat van het Indiase harmonium, wordt voornamelijk gebruikt in Zuid-India, waar het vaak de plaats inneemt van de tanpura en zorgt voor een onafgebroken drone |
| Steeldrum | groot olievat, waarvan de onderkant open is en de bovenkant gesloten, doch op een handige manier in vakken is verdeeld, zodat verschillende tonen ontstaan als er met stokken op wordt geslagen. Met dit nationale instrument worden op Trinidad en andere eilanden in het Caribische gebied hele orkesten samengesteld. |
| Subing | 1#)
lange
klarinet van de Subanon op Filippijnse eiland Mindanao
2#) bamboe mondharp van de Visaya-eilanden (Filippijnen) |
| Sulibao | met een hertenvel bespannen houten trommel van de Ibaloy en de Igorot uit de Filippijnen |
| Sulim | bamboe fluit van de Toba-Batak uit Sumatra |
| Suling | Indonesische bamboe fluit met 6 vingergaten, die verticaal wordt bespeeld |
| Sunai | dubbelriet hobo uit Sinkiang (Chinees Turkestan) |
| Sundri | dubbelriet blaasinstrument uit Zuid-India, identiek aan de mukhaveena |
| Suona | Chinese schalmei, zie ook sona en shao-na |
| Surbahar | getokkelde, Noord-Indiase basluit, gelijkend op een grote sitar. De surbahar is uit hout gemaakt en heeft een platte achterkant. De snaren zijn dikker dan die van de sitar en daardoor is het instrument veel lager gestemd , maar heeft daarentegen een diepere klank. De speeltechniek is identiek aan die van de sitar |
| Surdam | schuin aangeblazen fluit van de Karo-Batak uit Sumatra |
| Surdo | middelgrote houten of metalen trommel uit Brazilië. De surdo wordt vaak in parades gebruikt en heeft een warm geluid |
| Surle | dubbele klarinet uit Servië met twee divergerende houten pijpen, die passen in een houten mondhoorn |
| Surna | dubbelriet blaasinstrument uit Ladakh (Noord-India) |
| Surnaj | Russische volksschalmei met 7 vingergaten |
| Surshringar | de surshringar is een eigenaardig snaarinstrument uit het noorden van India dat tegenwoordig nog maar zelden wordt bespeeld, omdat het niet bepaald een gemakkellijk instrument is. Het is eigenlijk een pientere combinatie van drie Indiase snaarinstrumenten. De kleine klankkast en de hals doen denken aan de mahati veena, het metalen manuaal lijkt op dat van de rebab en het lichaam van de surshringar lijkt op dat van de kachchapi veena. Het instrument heeft 6 snaren voor de melodie en 2 snaren voor de drone en ritmische accenten. Het instrument wordt zittend bespeeld, schuin gehouden zodat het op de linkerschouder rust, en de snaren worden met mizrabs (gewoven metalen plectrums die om de vingers van de rechterhand worden geschoven) getokkeld. Doordat het instrument geen frets heeft kunnen met de vingers op het glad gepolijste metalen manuaal prachtige gamaka's (glijtonen) ten gehore gebracht worden |
| Surthug | 1-snarige primitieve vedel van de Dorani uit Siberië |
| Suwukan | Indonesische grote gong die deel uitmaakt van een gamelanorkest |
| Svirale | 1#)
dubbelfluit uit Kroatië
2#) 30 cm. lange Servische houten fluit met 6 vingergaten |
| Swaraj | fretloze langhalsluit uit Bangladesh |
| Swaramandal | platte Indiase kistciter, in vorm sterk gelijkend op de bekende zithers uit Midden-Europa. De swaramandal heeft 36 enkele snaren die chromatich zijn gestemd. Het instrument wordt met een plectrum bespeeld en wordt vaak gebruikt voor de begeleiding van de stem |
| Sybyzgy | rieten herdersfluit uit Kazachstan met een zeer oude geschiedenis |
| Syrinx | rieten pansfluit uit de Griekse Oudheid. Naar het schijnt werd de eerste syrinx door de god Pan zelf vervaardigd |