PHOTOGALLERIES    TRAVELOGUES    ABOUT US    MUSICAL INSTRUMENTGUIDE    CONTACT US


De Krakatau Tragedie

Tekst en Foto's:  Frank Ossen


\

 

Op een hete zomerdag van augustus in het jaar 1883 werd de hele wereld opgeschud door een daverende knal, tot op heden nog altijd de grootste explosie uit de menselijke geschiedenis, met een kracht 400 maal sterker dan de atoombom op Hiroshima in 1945. Die ochtend in 1883 ontwaakte ook de Krakatau.jpg (4681 bytes)vulkaan Krakatau uit zijn sluimer. De enorme knal die ermee gepaard ging deed het gehele eiland, gelegen in de Straits Of Sunda, ongeveer halverwege Java en Sumatra, in de zee verdwijnen. De 40.000 inwoners van het eiland verdronken als ratten. Maandenlang spoelden lijken aan in een door bloed rood gekleurde baai bij het dorp Labuan op West-Java. Deze baai heet nu Pantai Carita, ofwel "het strand der verhalen". Hoe enorm deze explosie was blijkt wel uit het feit dat in het duizenden kilometers verderop gelegen Sri Lanka de ruiten sprongen! Zelfs in Londen was de knal hoorbaar. Een geweldige kolom vol stof, as, rook en steen schoot omhoog en cirkelde jarenlang rond de aarde, waardoor het klimaat danig in de war werd geschopt. Deze onvergetelijke gebeurtenis staat in menig geschiedenisboek vermeld en sedertdien is het Indonesische vulkaaneiland Krakatau een begrip in de wereld.

Op de plek waar voorheen het eiland lag, was nu een diep en gevaarlijk gat in de oceaan ontstaan. Tot in 1929, precies op dezelfde plek, ineens een nieuwe vulkaan de kop boven water stak. Deze jonge, pasgeboren vulkaan werd al snel Anak Krakatau gedoopt, wat "het kind van Krakatau" betekent, en is inmiddels met een hoogte van zo’n 195 meter een volwassen en levensgevaarlijke vulkaan geworden. Uitbarstingen doen zich ettelijke malen per jaar voor, en gaan gepaard met veel vuurspuwerij en lavastromen. Er wonen wijselijk dan ook geen mensen meer op het nieuwe eiland. Maar de bijzondere schoonheid van Anak Krakatau schijnt ongeëvenaard te zijn en sinds ik in Jakarta verbleef, had ik een bezoek aan dit bezienswaardige eiland op mijn programma gezet, op de dag af precies 100 jaar na die dramatische gebeurtenis. De timing kon dus niet beter.

Na een urenlange, vermoeiende maar interessante busrit door het golvende groene landschap van West-Java, met hier en daar een dominante vulkaan, arriveerden we in het kleine, lawaaierige vissersdorp Labuan, waar geen moer te beleven viel. Dus lieten we ons zo snel mogelijk in één van die, in Indonesië beruchte, colts proppen voor de laatste 11 kilometer die ons nog van Pantai Carita scheidden.

Carita Sunrise.jpg (6816 bytes)En daar stonden we dan, mijn vriend Andrew en ik, op het strand der verhalen; een mengelmoes van grijs en zwart zand, maar gelukkig geen lijk te zien. We staarden naar de prachtig gekleurde hemel met een grote, ovale, felrode zon laag aan de horizon. Silhouetten van tientallen grote, spinachtige bouwsels leken op de gladde zeespiegel te rusten, zoals glazenwassers op een vijver. Maar hoe we ook tuurden, we konden het 40 kilometer uit de kust gelegen eiland niet ontdekken.

We hadden intussen al uitgevonden dat het niet zo eenvoudig was om het eiland te bezoeken. Sommige hotels organiseerden verzorgde dagtochten naar onze vulkaan, maar omdat het nu geen seizoen was en er maar heel weinig toeristen rondliepen, was het niet gemakkelijk om de vereiste 20 personen voor zo’n trip bij elkaar te trommelen. Bovendien was het prijskaartje van 20.000 Rupiahs per persoon ook niet bepaald zuinig. Zo te zien waren er maar 6 of 7 buitenlanders in Pantai Carita, dus besloten we dezelfde avond nog om wat anders te verzinnen. Na enig lopen langs het strand troffen we enkele vissers, die bereid bleken om ons voor de helft van de prijs de volgende ochtend al met hun vissersboot naar Anak Krakatau te zeilen. Een van hen was bijzonder vriendelijk, sprak slechts drie woorden Engels maar we sloten al snel een deal met hem. De volgende ochtend om 5 uur zou hij ons komen opvissen, zodat we al voor zonsopgang konden vertrekken. Andrew en ik rookten onze laatste ganja op en doken die avond tamelijk vroeg in ons nest. De hele nacht doemde de vulkaan in mijn dromen op.

Krakatau-Our Boat.jpg (6083 bytes)De volgende ochtend werden we tegen vijven uit ons bed geramd door een klein, olijk Javaans jochie, die ons, zo gauw als ik me in mijn broek gehesen had, gebaarde hem te volgen naar de boot, die nog een kleine kilometer verderop bleek te liggen. Het was dageraad en de zon zou spoedig opkomen. Onze boot bleek een oude houten sloep te zijn van zo’n 5 meter lang en zo’n 2 meter op het breedste punt. Het had een 5 meter hoge bamboe mast met een zeil dat een mozaïek van bont gekleurde lapjes was. Ook waren we nog een klein buitenboordmotortje rijk. Verder werden we opgescheept met drie Javaanse vissers die allen geen woord engels spraken. Onze man van gisteren was er niet bij. De boot en bemanning zagen er zeker avontuurlijk uit en verder moesten we maar afwachten.

Wegens laag water moesten we eerst nog zo’n 50 meter tot heuphoogte door de zee waden alvorens we aan boord konden klauteren. Er waren al met al vier blanken komen opdagen voor de trip. Een heel aantrekkelijke Zwitserse meid met haar saaie vriend, Andrew, die ik op de boot van Singapore naar Tanjung Pinang had getroffen, en ik dus. Niet lang na zonsopgang zeilden we weg, handig manoeuvrerend langs die vreemde spinachtige bouwsels die voor de kust verspreidt lagen. Dat bleken drijvende bamboe stellages te zijn, waarop vissers kleine hutjes hadden gebouwd waarin zij ’s nachts sliepen, na de hele dag een groot chinees vissersnet op en neer te hebben gehaald. De zee, die vanaf het strand gezien eerst zo glad als een spiegel had geleken, bleek enkele kilometers verder en eenmaal uit de baai heel wat minder rustig. Grote, witte schuimkoppen kroonden de onrustige golven, die constant tegen bakboord kletsten. Er stond een stevige bries en onze zeilboot schoot werkelijk vooruit, vaak heel sterk overhellend, lekker spannend dus. De hemel was prachtig diepblauw, er was geen wolkje aan de lucht en languit op het dek liggend genoot ik van de zon en van de wind.

Black Beach-Yellow Seas.jpg (6066 bytes)Na ongeveer twee uur zeilen werd in de verte aan de westelijke horizon een schimmig driehoekje zichtbaar, wat natuurlijk niets anders dan ons vulkaaneiland zou kunnen zijn. We stevenden dus recht op ons doel af. Onze bemanning leek uitstekend met hun boot overweg te kunnen, maar onze pogingen tot contact kwamen niet veel verder dan het weggeven van biscuitjes en sigaretten. Inmiddels was de zee ruiger geworden en ik was blij dat we na vier uurtjes varen door de Straits of Sunda – een gevaarlijk stuk zee, waardoorheen een onmetelijke massa water van de Indische oceaan naar de South China Sea en de Java Sea, randzeeën van de Pacific, stroomt – drie eilandjes met hoge heuvels gewaar werden. We passeerden het zeegat tussen de twee dichtstbijzijnde eilandjes en toen bleek dat de schimmige piramide die we de laatste twee uur gezien hadden, niet Anak Krakatau was, maar de hoogste van de drie eilandjes die de vulkaan omringden. Deze drie eilandjes zijn overblijfselen van het vroegere Krakatau. En het kind had daar al die tijd achter verscholen gelegen. En nu lag het recht voor ons; een vreemde, pikzwarte berg as in de vorm van een bijna symmetrische driehoek, met een grote, ronde krater, waarvan de randen door de zwavel wit en geel waren gekleurd. Toen we dichterbij kwamen zagen we een kleine houten steiger, waar we zouden aanleggen.

Krakatau Forest.jpg (14427 bytes)Het was bijna op het heetst van de dag toen we met beide benen op het strand van ons eiland stonden. De zon brandde recht boven ons op onze koppen. Van naderbij gezien zag de vulkaan er nog veel vreemder uit. De stranden waren werkelijk pikzwart en een gele zee spoelde zeer rustig met kleine witte kopjes aan. Duizenden glinsterende, zilverkleurige vissen dartelden in het warme water. Alles deed bijzonder surrealistisch aan. Zwarte stranden en gele zeeën kloppen gewoon niet, maar ik was toch echt klaarwakker. Voor ons doemde de steile askegel op, bestaande uit zwarte as, zwarte lava en zwarte rotsblokken. Op de hellingen van de vulkaan leek geen spoor van enige plantengroei aanwezig, behalve op een plek beneden bij het strand. Daar was een jungleachtig terrein van een paar honderd vierkante meters, waar metershoog gras groeide en allerlei soorten lianen voorkwamen, die probeerden de vreemd gekronkelde bomen met witte stammen, te verstikken.

De Javaanse bemanning bleef op de boot achter om een paar potjes te kaarten en gaf ons twee uur de tijd om de zaak te verkennen. Andrew en het Zwitsers paartje hadden weinig oog voor het groen onder aan de berg en klauterden gelijk omhoog, zonder nog om te kijken. Ik bleef nog lekker even beneden aan het strand zitten en genoot van mijn lunch; droge kadetjes, biscuit, wat water en enkele platgedrukte bananen. Alleen en ongehaast begon ik een kwartier of zo later aan de klimpartij. Dat was niet zo eenvoudig. Het was het heetste uur van de dag en het mulle, zwarte as bleek gloeiend heet. Bovendien zakte je tot over de enkels erin weg, zodat het hete zand in je schoenen liep was voor je voeten niet zo prettig was. De hellingen waren knap stijl en bij elke twee stappen omhoog gleed je er telkens weer één naar beneden. Op blote voeten was zo’n klim absoluut onmogelijk geweest. Toch kwam ik na zo’n 20 minuten zwoegen boven op de helling aan. Voor me doemde een gevaarlijke kloof op waarin rokend lava van verschillende kleuren stroomde. Grijswitte stoom waaide over de Krakatau’s witgele kraterrand. Het was een werkelijk schitterend gezicht. Helaas hadden we niet de vereiste equipement om de kloof te overbruggen en in de krater te komen, maar we waren dan ook geen expeditie.

Anak Krakatau's Summit.jpg (7363 bytes)Ik liep in een halve cirkel om de kraterrand heen om via een andere weg weer af te dalen naar een plek waar de lava in de zee stroomde. Onderweg ontdekte ik tot mijn stomme verbazing sporen van hernieuwde plantengroei! Half verscholen en beschermd achter rotsblokken hadden edelweiss en een soort sneeuwklokjes de kop op gestoken. Dat is een verbazend snel herstel, 54 jaar na de geboorte van dit nieuwe vulkanische eiland. Anak Krakatau is om die reden dan ook een waar paradijs voor allerlei onderzoekers; biologen en geologen brengen dan ook herhaaldelijk een bezoek aan dit eiland.

Om een uur of één waren we allemaal weer terug bij onze boot en genoten we van het heldere water met enkele frisse duiken. Zo’n klimmetje was toch wel vermoeiend geweest en ik had tamelijk wat vocht verloren. Vooral het laatste stuk van de afdaling, waarin ik verstrikt raakte in de kleine, maar bijna ondoordringbare jungle, had me doen zweten. Daarom was die plons hoognodig en welverdiend.

Even later zeilden we weer in de richting van het zeegat dat de omringende eilanden van elkaar scheidde. De zee was woelig, doch zo snel als we de vulkaan achter ons hadden gelaten en het zeegat door waren, Black Beach-Yellow Sea 2.jpg (6814 bytes)bleek ze nog veel woeliger. Het zou me niet verbazen als er een storm op komst was. Onze bemanning besloot al snel om alleen met een klein zeil te varen, daar het grotere zeil hen te gevaarlijk leek. Bovendien stond de steeds sterker wordende wind voor ons tamelijk ongunstig en al snel werd besloten om de buitenboordmotor in te zetten. Helaas stuiterde onze schuit al zodanig over de golven dat de propeller van onze Johnston-motor het water amper raakte. We schoten op die manier dan ook weinig op en het duurde uren voordat Krakatau uit ons zicht verdween. Tegen die tijd had een venijnige storm de kop opgestoken. De golven verschenen drie meter boven onze boot en keken ons met hun genadeloze, witte koppen recht in de ogen, voor ze met een reusachtige smak tegen ons kleine bootje sloegen. Het water zag diep grauw en beloofde niet veel goeds. Wij probeerden een oostelijke koers aan te houden om Java te bereiken, maar we verkeerden in een zuiderstorm en dat is natuurlijk levensgevaarlijk. We tuimelden voortdurend van bakboord naar stuurboord en dachten ieder moment te kunnen omslaan en dan was het uiteraard gebeurd met de koopman. Dat gebeurde gelukkig steeds nét niet, maar we kregen wel steeds meer water in de boot. Ik begon me ook steeds minder lekker te voelen.

Toen gebeurde er een ramp. De mast hield het niet meer en brak, waardoor we ineens ook het zeil verloren. En aangezien de buitenboordmotor niets meer kon uitrichten in zulke golven waren we geheel stuurloos en dus hulpeloos. De zee ging steeds heviger te keer en er was nog geen enkel spoor van land in zicht. Nadat de zon in prachtige kleuren was ondergegaan – waar we uiteraard weinig plezier aan konden beleven - trad de schemering in. Het spookte en we scheten blubber! In het flauwe licht kon ik nog duidelijk de ongeruste blikken in de gezichten van onze Javaanse bemanning zien. Die scheten ook blubber!

Tornado.jpg (5407 bytes)Enkele ogenblikken later liet de Johnston het helemaal afweten wegens gebrek aan benzine, maar dat deed er allemaal niet meer toe. Het was nu pikkedonker geworden en we hadden geen mast, geen zeil, geen motor, geen licht (onze kerosinelamp had bovenin de mast gehangen en was samen met het zeil ten onder gegaan), geen vuur (onze lucifers waren doorweekt), geen eten, geen drinkwater en weinig kans op overleven. De situatie was wat je noemt heikel. Er voeren nogal wat reusachtige tankers door de Straits, allemaal op de noord-zuid route, een koers die haaks stond op de onze. Die konden ons in het donker natuurlijk nooit zien en er bestond kans dat we door zo’n tanker overvaren zouden worden zonder dat men het in de gaten had. Ik moest er niet aan denken. Trouwens, als ze ons al wel zouden zien, konden ze hun vaart en richting toch niet één-twee-drie wijzigen. Zo’n mammoettanker heeft een remslip van meer dan een kilometer!

Intussen hadden we enkele dekplanken weten te verwijderen zodat we op de bodem van de boot konden schuilen. Daar zaten we dan; drijfnat en tot onze heupen in het water waarin allerlei smerige insecten zoals kakkerlakken krioelden, die waarschijnlijk ook vochten voor hun leven. In het donker konden we de razende golven gelukkig niet meer zien, maar voelen deden we ze des te meer. Al huilend en biddend gleden we heen en weer door de boot en we moesten ons goed vast houden om niet overboord te slaan. Ik moest herhaaldelijk kotsen en de eerste keer waaide het gelijk in het gezicht van de anderen. Dat was niet zo slim natuurlijk, maar ik was behoorlijk zeeziek geworden en het kwam er uit voor ik het wist. Ik was niet de enige die daar last van had, dat zal niemand verbazen. Ik zag het helemaal niet meer zitten en was ervan overtuigd dat we ieder moment met z’n allen naar de haaien of naar de kelder konden gaan. Ik heb alleen jaren geleden in Gosainkunda, op vijf kilometer hoogte in de Nepalese Himalaya, dichter bij de dood gestaan. Ook toen leek de situatie hopeloos en konden we nog slechts bidden tot alle mogelijke goden die we konden bedenken. Je zorgt er wel voor dat je er geen één vergeet. En zo was het ook nu; bidden en bidden.

Carita Sunset.jpg (10590 bytes)En ja hoor, eindelijk – we waren allen totaal uitgeput – zagen we lichtjes voor ons. Dat moesten de vissers voor de Javaanse kust zijn, dat kon niet missen. Dat gaf hoop, het ergste leek voorbij. We waren uit de meest gevaarlijke zone vandaan en zo gauw we de baai indreven werd de zee kalmer. De lichtjes om ons heen bleken inderdaad van de spinachtige bouwsels afkomstig te zijn en onze hoop was geheel terug gekeerd. We hadden het gered, terwijl we er eigenlijk niet meer op gerekend hadden. Een half uurtje later spoelden we ergens op een strand aan. Wat was het toch een goed gevoel om de vaste grond weer onder je voeten te kunnen voelen! Al snel bleek dat we aardig uit de koers waren geraakt, want Pantai Carita bleek zich zo’n 25 kilometer zuidelijker te bevinden. Als we nog 10 kilometer meer naar het noorden zouden zijn afgedreven, hadden we Java in zijn geheel niet bereikt, maar waren de Java Sea opgedobberd en was er aan onze ontberingen voorlopig nog geen eind gekomen. Ik keek nog even naar de zee. Vanaf het strand scheen de zee toch zo rustig, maar de schijn kan bedriegen. Ik nam het emotionele besluit nooit boottochten meer te ondernemen, aangezien ik in het verleden met boten en op het water al vaker hachelijke situaties heb meegemaakt. En de donkere dieptes van de zee hebben me nooit zo kunnen boeien, behalve dan in documentaires van National Geographic.

We lieten onze bemanning achter bij de resten van hun sloep op het strand en vonden zowaar een late Colt, die ons nog naar Pantai Carita wilde rijden. Het was al ver na middernacht toen we daar weer aankwamen. De terugreis van Anak Krakatau naar het vasteland van Java had elf uur geduurd, wat wel een eeuwigheid leek, maar goddank en wonder boven wonder hadden we het allemaal overleefd.

Precies honderd jaar na de Big Bang waren we aan een nieuwe tragedie ontsnapt. Veilig terug in onze hotelkamer dronken we nog twee biertjes en doken in ons heerlijke bed. Eindelijk. Waar ik die nacht allemaal over droomde, kan ik me niet meer herinneren.

 

© Frank Ossen 2002

THANKS FOR READING